En zo stond ik daar te deinzen op het ritme van deze warme zomeravond. Blosjes op mijn wangen als een verliefde tiener. Een gestrande en drijvende scheepsvaarder op een schiploze oceaan. Verward en vergiftigd tussen mannelijk schoon en andere complexiteiten die de nacht te bieden heeft. Ik deed mijn best om te glimlachen voor je zingende ogen. Een duizend-in-één-kansontmoeting. Een klein stipje in het universum. Twee geestelijk witte, zwevende reuzen in dezelfde ruimte. Zo bewoog je liefdevol naar mijn eiland. Vaar naar mij. En vaar dan weer naar mij.
Moet ik zwemmen? Moet ik tussen de branding staan? Zo onstabiel sta ik daar tegen de rand van het podium. Zeemeeuwen cirkelen om mijn hoofd als aasgieren. Ben jij mijn reddingsboei of de witte haai? Wees baldadig terwijl ik me verstop. Met mijn ogen naar de grond gericht, mijn oogleden als waaiers. Ik kan je hel- of hemelgevoel zijn. Wil je samen zondigen en het lot laten beslissen? De pil reeds achter mijn kiezen, de zandzakken gelost. Ik zweef, volledig onder jouw betovering. Zwem naar mij. Zwem naar mij toe en laat mij je omhelzen.
Het lot heeft besloten: jij pakt me vast. Het is fijn om iemand te hebben die je vasthoudt. Je brede armen om mijn schouders heen. Veiligheid en geborgenheid in een wereld vol afschuwelijkheid. Ik zing als een sirene terwijl de vloer overspoelt met zoutwater. Het schuim tussen onze tenen. Het ritselen van aanspoelende schelpen. Ik kom naar je bed wanneer je weer alleen bent. Pak mijn hart vast en knijp er zachtjes in. Laat me weer voelen alsof ik leef en knijp het daarna zachtjes fijn totdat het piepend leegloopt. En als ik dan sterf in je armen, dan zal ik sterven met een glimlach op mijn gezicht. In het groene noorderlicht.