Ik kan twee kanten op gaan. De vrije kant die geniet van alles wat los of vastzit en volledig opgaat in het moment. Als een koorddanser boven de menigte bewandel ik vol vertrouwen mijn gekozen gevaarlijke pad. Met een bonkend hart zoek ik alles op wat me op scherp zet en duik ik in donkere poelen in een droomstaat. Ik weet precies wat ik doe. Berekend, planmatig en vol zelfverzekerdheid lach ik het leven toe en omarm ik het onvermijdelijke einde van de show. De knappe man die met geheven hoofd loopt. De kant die is opgebouwd door levenservaring, die vol zelfvertrouwen zit en die sterk staat in zijn evenwicht. Probeer hem maar eens van zijn stuk te brengen. Ik kan niet meer vallen.
De andere kant staart naar boven vanuit het gespannen net onder het koord. Ik aanschouw mijn andere kant levenloos als een spin die wacht tot zijn prooi in zijn web vliegt. Net zoals de koorddanser berekend, maar met andere intenties. Sluw in zijn acties en breekbaar in zijn gevoelens. Obsessief met de projecten waar hij zijn hoektanden in bijt. Jaloers, koppig, melodramatisch en poëtisch. De jongen die vroeger achterin in de klas zat zonder vrienden. De puber die zijn poëzie en songteksten verbrandde in de duinen. De jongvolwassene die te veel vertrouwen in vreemden stopte. De kant die constant van zijn stuk is. De kant die constant valt.
Ik draai een van mijn laatste gloeilampen uit de fitting om erachter te komen of de lamp een grote of een kleine fitting heeft. Helaas is het een grote fitting en heb ik twee lampjes met een kleine fitting. Een gekookt lieveheersbeestje zit vastgekoekt aan de oude lamp. Soms balanceren we zo dicht op de rand van het gevaar dat we eraan bezwijken. Of in dit geval levend verbranden.