“Mag ik je aansteker even lenen?”, vraag ik aan de man die naast me staat. Ik heb zelf ook wel een aansteker in mijn broekzak, maar het zorgt even voor een aanknooppunt om een gesprek te beginnen. De man draait zijn gezicht naar mij toe en zijn mondhoeken krullen omhoog. “Natuurlijk”, zegt hij, terwijl hij met zijn hand in zijn broekzak zoekt, alsof het een bodemloze put vol spullen is. Zijn vingers glijden langs zijn huissleutels en zijn pinpas. Misschien wat kleingeld? Hebben mensen tegenwoordig nog kleingeld op zak?
Uiteindelijk overhandigt hij zijn aansteker. Het is een zwarte aansteker met een naakte vrouw erop, omringd door slangen. Ik kijk ernaar en daarna weer naar de man. Waarschijnlijk heeft hij deze aansteker gekocht om precies deze reactie te krijgen. Ik lach naar de man en haal zonder erover na te denken mijn aansteker uit mijn zak. Ik laat de aansteker aan hem zien. Het is een zwarte aansteker met een naakte vrouw erop met wat schorpioenen. De man schiet ook in de lach, waarna hij zijn linkerwenkbrauw optrekt. “Waarom vroeg je om mijn aansteker als je er zelf ook al een had?”, vraagt de man. Ik geef de man een flauwe knipoog en neem een trekje van mijn sigaret.
Het eerste trekje voelt op zo’n nacht als deze dan altijd het lekkerst. Alsof mijn lichaam even op pauze wordt gezet van de drukte van de nacht. De muziek bonkt achter me nog in de club en de stempel op mijn pols om weer binnen te komen is nu al aan het verdwijnen door het zweten. Gelukkig maakt het de beveiliger toch vrij weinig uit. Waarschijnlijk herkent hij mijn prethoofd toch wel. De man pakt de draad van het gesprek weer op. “Ik heb eigenlijk helemaal geen zin om weer naar binnen te gaan”, zegt hij met een zucht. Ik snap het wel. Terug de club ingaan voelt dan opeens een beetje als een verjaardag waar je later op aansluit. Ondanks dat hij waarschijnlijk nog geen tien minuten buiten staat te roken.
“Zou je nu liever weggaan?”, vraag ik aan de man. De man denkt hier even over na en neemt nog een trekje van zijn sigaret. Hij blaast de rook uit en geeft daarna zijn bedachtzaam antwoord. “Ik denk dat ik hier nog even blijf staan. Dit is even wat interessanter dan mijn bed”. Even wat interessanter. Ik blijf hangen op deze drie woorden. Even is maar tijdelijk. Interessanter dan binnen? Komt dat door mijn flauwe knipoog of omdat alles nu nog mogelijk lijkt? Misschien voegt het beide iets toe en maken ze het rituee interessanter. “Wat maakt dit interessanter dan wat je in de club kan ervaren?”, vraag ik.
De man steekt nog een sigaret op en ik bied mijn aansteker aan. De man knikt en ik steek zijn sigaret aan. Daarna steek ik ook een tweede op voor mezelf. Hij heeft mijn volledige aandacht, dus ik blijf buiten staan. “omdat je de eerste man bent bij wie ik zijn intenties niet kan lezen”, zegt hij uiteindelijk. We hebben inmiddels acht zinnen met elkaar uitgewisseld. Zijn acht zinnen genoeg om achter iemands intenties te komen? Soms hoef je niet eens iets te zeggen en zegt lichaamstaal al genoeg. Maar het is ook niet de eerste keer dat iemand niet precies weet wat mijn mogelijke intenties zijn. De nacht is nog jong en er is alle tijd om mijn kaarten op tafel te leggen. Maar voor nu moet hij meespelen of opgeven.
Misschien omdat er geen directe opvolging was van de knipoog van mijn kant. Maar het gesprek is net begonnen. Misschien is deze man wel ongeduldig. Ik vraag aan de man waarom hij vanavond naar deze club is gekomen. Hij vertelt dat zijn vaste clubje vrienden hem hierheen heeft gesleept, maar dat hij liever thuis was blijven gamen. Ik vertel hem dat ik ook van gamen hou en we vertellen elkaar meteen enthousiast welke games we op dit moment spelen. Hij speelt voornamelijk op zijn PlayStation 5 en ik op mijn laptop. Het raakvlak is fantasy roleplaying games. Nu zijn we twintig zinnen verder en hebben we twee raakvlakken. Roken en gamen.
De man vraagt waarom ik naar de club ben gekomen vandaag. Een herhaling van mijn vraag, waardoor we op afstand blijven van de onbeantwoorde vraag wat mijn intenties zijn. De sigaretten zijn opgerookt en dit valt ons beide op. Zonder iets erover te zeggen, blijven we staan. Gebonden aan het gesprek dat is ontstaan. “Ik ben hier gekomen om mijn vrienden weer te zien”, zeg ik, “maar ik ben hier niet gekomen om te staan zweten op peperdure gin-tonics waar amper gin in zit”. De man lacht net iets te hard. Zo grappig was deze zin niet. Misschien doet hij het zodat ik hem aardig zal vinden. “Als mijn vrienden hier niet graag kwamen, was ik hier ook niet geweest, denk ik”. Ik geef de man een opening om weer verder te borduren.
“Ik heb eigenlijk ook helemaal niks met deze club”, zegt de man. Dit is een opening voor mij om te zeggen: “Zullen we gaan?”, maar is dat wat de man wil of wat ik wil? De gedeelde sociale verplichting heeft ons beide naar deze club geleid. Ik draai mijn gezicht naar de man toe en verwacht bijna dat hij nu een knipoog terug zal geven, maar hij doet het niet. En even blijft er een stilte hangen. “Ik moet schijten”, zeg ik tenslotte. Misschien niet helemaal wat de man had willen horen, maar dit is het eerste wat er in me opkomt. De man schiet wederom in de lach totdat hij ziet dat ik niet met hem mee lach. “Oh je meent het?”, zegt hij. “Het mannentoilet kan niet op slot hier”, antwoord ik.
“Je mag best bij mij kakken hoor”, zegt de man. Dit is het meest romantische wat iemand de hele avond tegen me heeft gezegd. We laten de club en onze vrienden voor wat het is en vertrekken naar zijn huis. Hij biedt me nog een sigaretje aan, maar deze sla ik af. Het is niet mijn intentie om in zijn aanwezigheid in mijn broek te schijten.